Bij het wipschieten staat bovenop de schutsboom een bak met drie verticaal opgestelde pijpjes naast elkaar. Op elk pijpje ligt een stalen prop met een conische centreerrand, die precies in het pijpje past en de prop op zijn plaats houdt. Aan elke prop is een koord bevestigd dat door het pijpje naar beneden hangt. Het doel is de prop eraf te schieten. Lukt dat, dan trek je aan het koord en wipt het doelwit vanzelf terug naar zijn beginpositie.
Er wordt geschoten met standaard .22 Flobert munitie, kogels van 6 mm.

De drie pijpjes verschillen in moeilijkheidsgraad. Bij het rechtse pijpje steekt de prop 1 mm over de rand en heeft een hoogte van 8 mm. Bij het middelste is de overslag kleiner en de hoogte 6 mm. Het linkse pijpje is het moeilijkst: de prop is even groot als het pijpje zelf en heeft een hoogte van slechts 4 mm. Van rechts naar links neemt de moeilijkheidsgraad dus steeds toe.

Kijk door het vizier en zorg dat je de gekozen wip scherp in beeld hebt, de lichtkrans er gelijkmatig omheen zit en de korrel goed op de wip staat.

Sta ontspannen, houd het geweer goed vast met de riem en controleer voor het schieten nogmaals of de lichtkrans rondom gelijk is.